<
 
 
 

Terug naar ProCorpo

 
 
Anatomie
 
Spieren
 
Skelet
 
Organen in de borstholte
 
Spijsverteringsorganen
 
Urinewegen
 
Voortplantingsorganen
 
Hersenen
 
Huid
 
Zintuigen
 
Lymfestelsel
 
Hormoonstelsel
 
Het hormoonstelsel

PROCORPO


SKELET

 

 

 

Het skelet zorgt samen met de spieren voor de beweeglijkheid van het lichaam. In de afbeelding zie je de opbouw van het skelet en de namen van alle botten.

Gewrichten

De botten zijn door gewrichten met elkaar verbonden. Door de gewrichten kunnen de botten ten opzichte van elkaar bewegen, maar niet alle gewrichten zijn even beweeglijk. Het gewricht is als volgt opgebouwd:

  • gewrichtskapsel en gewrichtsbanden: een vlies om het gewricht heen dat de botten op hun plaats houdt en banden die de botten met elkaar verbinden

  • gewrichtsholte met gewrichtssmeer: zit tussen de gewrichtsknobbel en de gewrichtskom, gewrichtssmeer is een stroperige vloeistof die door het gewrichtskapsel wordt afgegeven

  • kraakbeen: laagje op de knobbel en in de kom dat het bot tegen slijtage beschermt

  • gewrichtskom

  • gewrichtsknobbel

De botten worden op hun plaats gehouden door het gewrichtskapsel. Dit kapsel is op een aantal plaatsen versterkt met gewrichtsbanden. Binnenin de knie bijvoorbeeld zitten twee heel belangrijke banden. Dit zijn de achterste en de voorste kruisband. De kruisbanden zorgen ervoor dat het onder- en het bovenbeen in elke stand van de knie op de juiste plaats ten opzichte van elkaar blijft. De banden en de meniscus zorgen ervoor dat de bewegingen van de knie binnen bepaalde grenzen blijven. Dit doen zij samen met de omgevende spieren. Hieronder zie je afbeelding van een knie waarop dat te zien is.

 

Soorten gewrichten

Onbeweeglijk gewricht
Bij een onbeweeglijk gewricht zijn de botten verbonden door bindweefsel. Het bindweefsel laat weinig of geen beweging toe. Een voorbeeld van een onbeweeglijk gewricht is de schedel. Tussen de verschillende delen van de schedel zitten naden. Bij baby’s zijn de delen van de schedel nog flexibeler dan bij oudere kinderen en volwassenen.

Halfbeweeglijk gewricht
Bij een halfbeweeglijk gewricht zijn gewrichtsvlakken met elkaar verbonden door kraakbeen. Door het kraakbeen is de verbinding wat flexibeler dan de verbindingen in de schedel. De schaambeenderen van de vrouw zijn er een voorbeeld van. Doordat nog enige beweging mogelijk is, kan er bij de geboorte een kind doorheen. De gewrichten van de ruggengraat zijn een ander voorbeeld.

Draaigewricht
Bij een draaigewricht draait een bot in een ring die door een ander bot gevormd wordt. Dat zijn de atlas en de draaier die samen een gewricht vormen. Door dit gewricht kan het hoofd opzij draaien.

Kogelgewricht
Het heupgewricht en het schoudergewricht zijn voorbeelden van een kogelgewricht. Een kogelgewricht bestaat uit een kom van bot, waarin het andere kogelvormige bot vrij kan ronddraaien. De kogel zorgt ervoor dat het been zowel naar voren en naar achteren, als naar opzij kan bewegen.

Scharniergewricht
Scharniergewrichten, zoals de vingerkootjes en de knie, kunnen alleen maar heen en weer bewegen, net als een deur.

Rolgewricht
In een rolgewricht kan het ene bot in zijn lengteas om het andere bot draaien. De ellepijp die in de elleboog aan de kant van de pink zit is met de hand verbonden door middel van een rolgewricht. Hij kan om het spaakbeen heen draaien. Dankzij dat kan de hand gedraaid worden.

Zadelgewricht
Er is maar één zadelgewricht. Dat zit bij de wortel van de duim. Het bestaat uit twee botvlakken die op elkaar lijken. Ze lijken op een zadel. Elk oppervlak heeft een bolle en een holle kromming. Daardoor kunnen zij om twee assen bewegen. Zij maken dezelfde bewegingen mogelijk als het kogelgewricht.

Eivormig gewricht
Het polsgewricht is een voorbeeld van een eivormig gewricht. Het heeft een eivormige kop in een kom. Dus een hol- en bolvormig gewrichtsvlak. Daardoor zijn er meer bewegingsmogelijkheden.

Vlak gewricht
Een vlak gewricht heeft vrijwel vlakke oppervlakten die over elkaar heen kunnen glijden, van voor naar achteren en opzij. In de handen en voeten zitten deze gewrichten.

De rugwervels zijn als blokjes op elkaar gestapeld. Deze blokjes scharnieren ten opzichte van elkaar door de zogenaamde facetgewrichtjes. Deze zorgen ervoor dat we onze rug alle kanten op kunnen bewegen. Het zijn kleine gewrichtjes aan de wervellichamen, waarlangs enkele zenuwbanen lopen.

De wervelkolom loopt van je hoofd tot aan je stuit. Hij is opgebouwd uit 32 wervels: 7 nekwervels, 12 borstwervels omgeven door het ribbenrooster, 5 lendenwervels. Onderaan zit het heiligenbeen met 5 vergroeide wervels en het staartbeen met 3 staartwervels. Op de bovenste rugwervel rust het hoofd. Dat is de atlas. De atlas rust op de tweede rugwervel, de draaier. Deze heeft een tandvormig uitsteeksel waar de atlas omheen kan draaien. De tand van de draaier past in een uitholling van het wervellichaam van de atlas. Atlas en draaier maken het samen mogelijk dat we ons hoofd in alle richtingen kunnen bewegen.

De 24 bovenste wervels worden van elkaar gescheiden door tussenwervelschijven. Een tussenwervelschijf (of discus) verhoogt de elasticiteit en de bewegingsmogelijkheden van de wervelkolom en fungeert als een soort schokdemper. Op onderstaande afbeelding zie je de discus aan de linkerkant tussen de 2 wervels zitten.